Waar gebeurd en echt verzonnen

 
Sinterklaas, oude dwaas
bizar | columns | 07 December 2010 | 21:34:04
 
We schrijven (of: ik schrijf) 2018. Mijn zoontje is zeven en stelt de vraag waar elke ouder voor vreest. Zijn vader sluipt weg. Ik had de bloemetjes en de bijtjes toch al zo goed uitgelegd, ik kon het wel alleen aan.

‘Mama, wie is Sinterklaas?’
 
Ik zucht. Ik vrees dat dit het moment is waarop ik mijn hoogverraad moet toegeven. Het druist in tegen alles waar ik voor sta. Ik was zelf zo ontgoocheld toen ik te weten kwam dat mijn ouders, juffen, meesters, oudere schoolgenootjes, tantes en nonkels, neven en nichten, ja zelfs de televisie en de door mij met zoveel hebzucht doorbladerde reclamefolders gelogen hadden. Ik heb gehuild, een hele nacht lang. Later in de kerk (kerken zijn pas afgeschaft in 2015) dacht ik dat Jezus ook wel verzonnen was door grote mensen om de kindjes braaf te houden.
 
Ik had het er met Hebbeding (nog steeds, of wat dacht je, lezer?) over gehad. Het was één van die momenten dat we het roerend eens waren; we zouden het hem gewoon vertellen. Vertellen dat de Sint een symbool is. Dat hij cadeautjes van ons kreeg, omdat wij hem geweldig vonden. Niet omdat één of andere Turkse bisschop hem anders in een juten zak zou steken. (ook negatieve connotaties rond bisschoppen zijn in 2018 nog steeds erg actueel)
 
‘Een symbool? Net als Jezus?’ zou hij zeggen. Hij zou zijn vaders genen en intelligentie erven, daar bestond geen twijfel over.
 
Maar toen het moment daar was en onze zoon, ons godenkind, voor het eerst thuiskwam van de kleuterklas, trots zwaaiend met zijn allereerste chocoladen afgietsel, stelde hij geen vragen. Hij zette ijverig zijn schoentje in de hal, met daarbovenop zijn zelfgeschilderde kliederwerkje. Het was één van die zeldzame momenten waarop Hebbeding en ik de strijd opgaven. Ieder jaar vond hij een tafel vol lekkers en speelgoed op zes december.
 
Nu, pas drie jaar later, stelt hij de vraag. Twee keer.
 
‘Mama, wie is Sinterklaas nu echt?’
 
Ik denk terug aan gisteren. Ik was opgeroepen om te gaan filmen voor het maatschappijkritische avondprogramma ‘Het LuchtCasteel’, gepresenteerd door Joost Vandecasteele. In rusthuis Avondrood had Jan Decleir opnieuw amok gemaakt, zoals steeds op 5 december.
 
De grote Decleir was gecolloqueerd. Alzheimer had hem zijn carrière gekost en ook bijna zijn leven. In de nacht van vijf op zes december 2016 was hij gevonden in de tuin van zijn toenmalige buurman. De val van het dak was hem bijna fataal geweest. Toen zijn goede vriend Bart Peeters hem had opgezocht in het ziekenhuis, had hij zijn geheim prijsgegeven.
 
‘Ik kan het niet meer alleen, Bart. Ik ben oud geworden, net als jij. Het is te veel, te zwaar. En ik vind mijn paard niet meer.’
 
In zijn kelder had Peeters het geheim gevonden. Een immense verzameling gehamsterd speelgoed, sommige stukken gekocht, andere gestolen. Een witte aanplakbaard en een rode kazuifel. Op een muur een tekst, met kleurrijk stoepkrijt geschreven: SINTERKLAAS IS MOE.
 
Ook aan mij - en een stuk of vier cameramannen - had Decleir zijn geheim verteld. Wij hadden het met lede ogen aangezien. De ondraaglijke lichtheid van een bestaan als Sinterklaas. Tussen alle personages was Jan Decleir zichzelf verloren. Ik kon de violen bij de montage al horen. Het Vlaamse publiek zou hiervan smullen. Decleir; moegestreden, kapot, een hoopje ellende, wanhopig vasthoudend aan een leugen die zoveel kinderen blij maakte. Een cameraman, geilend op het shot van een traan in de Sints linkerooghoek. De geluidsman bewaarde zijn professionaliteit, hij had al erger gezien. Ik niet. Ik ben naar buiten gevlucht.
 
In de hal kwam ik hem tegen. Zijn zoon Jenne, verkleed als de trouwe helper van de Sint. Door een kier van de deur zagen we de warme gloed van de camera’s verdwijnen. We hielden ons stil in de keuken terwijl iedereen het gebouw verliet. Er werd niets gezegd. Ik wilde Decleir Junior tegenhouden. Hem zeggen dat hij zijn verantwoordelijkheid moest nemen en de waarheid vertellen. Maar dat had hij waarschijnlijk al duizend keer geprobeerd. Duizend lange dramatische uren, die luttele minuten later terug gewist waren in het hoofd van zijn vader.
 
Toen alle lichten gedoofd waren, sloop Jenne naar binnen. Even later zag ik het duo door de gangen sluipen. De Sint in zijn witte nachtgewaad, zijn kin al jaren niet meer geschoren. Aan elke deur van elke kamer werd zorgvuldig een chocoladen stoomboot geplaatst. Toen de Sint door zijn rechterknie ging, schoot ik te hulp. Hij trok me prompt op zijn linkerknie en vroeg of ik braaf geweest was. Ik knikte. Hij glimlachte. Zwarte Piet overhandigde me een marsepeinen varkentje.
 
‘Dankjewel Sinterklaas.’
 
Die nacht is Jan Decleir vredig ingeslapen. En nooit meer wakkergeworden. De beelden zijn nooit uitgezonden. Dit heilig huisje wilde Joost overeind laten staan. Alleen hij en ik begrepen waarom.
 
Hebbeding kent elke stilte van mij. Hij leest mijn gezicht zoals een hond de geuren in de wind. Hij gaat in de zetel zitten en neemt onze zoon op zijn schoot. Met een passie als ging het over Ché’s Hemelse Honderd vertelt Hebbeding het verhaal van de goede bisschop uit Mira die arme kinderen redde uit de handen van een slechte man.
 
Als zijn kleine evenknie gaan slapen is, neemt hij me in zijn armen.
 
‘We kunnen hem later nog altijd vertellen dat de Sint gestorven is.’
 
Het voelt niet aan als liegen. Sommige sprookjes zijn nu eenmaal deel van het leven.
 

Wil je mijn visitekaartje?
Sabotage
bizar | columns | 27 September 2010 | 16:56:23
 
“Maar vertel eens: hoe gaat het met jou?”
 
Samantha keek me met grote, verwachtingsvolle ogen aan.
 
“Mijn kat is zwanger”, associeerde ik erop los.
 
“Heb je dat beest nu nog niet gedumpt?”
 
“Nee. En je weet waarom.”
 
Ik deel Hebbedings frustratie over het beestje. Ze is wel lief en aaibaar, maar ze loopt weg, gebruikt de douche als kattenbak en bepaalt als ik alleen thuis ben aan welke kant van het bed ik moet slapen.
 
Maar ze had mij uitgekozen als haar redder. Ze was op een avond, toen Hebbeding me naar huis had gebracht na een etentje met mijn ouders, tegen mijn been komen aanschurken. Met haar grote ogen en frêle lijfje zag ze er niet veel ouder uit dan een kitten.
 
Wanneer even later bleek dat ze er zelf al twee had, vroeg mijn nietsvermoedende buurvrouw met gespeeld medelijden: ‘ocharme, jonkie. Ben je verkracht?’ Het katje keek me intriest aan en veroverde instant mijn hart. Ik sloot haar in mijn armen en liet haar niet meer los.
 
Nu ik haar meermaals krols haar kont tegen menig kater heb zien aanwrijven en haar buik de afgelopen twee maand recht evenredig met haar tevredenheid heb zien groeien, begin ik mijn twijfels te krijgen bij het zielige verhaal. Maar het is te laat. Mijn liefde is onomkeerbaar.
 
“Krijg ik er eentje?”
 
Mijn afgedwaalde gedachten brachten elkaar in ijltempo terug naar het heden.
 
“Wat?”
 
“Een katje. Ik wil graag een zwart met witte. Dan noem ik hem Pelle.”
 
Zoals steeds greep ze de gelegenheid aan om een lijst met verwijzingen naar Zweedse literatuur op te sommen en etymologisch te verklaren. En zoals steeds sloot ik mijn oren en gaf mijn ogen de kost. Ze maakte me toch wijs wat ze wilde. God, wat had ik haar gemist. Het vuur in haar ogen, het water op haar lippen, de lucht tussen haar vingers.
 
Zes maanden lang had ze in München gezeten. Voor een studie over Zweedse kinderliteratuur tijdens de tweede wereldoorlog in Duitsland. Wat aanvankelijk een snoepreisje leek, werd een succes.
 
Samantha ontdekte dat Hitler van plan was Zweden te annexeren als beloofde land. Hij liet zijn soldaten Zweedse kinderverhalen voorlezen aan hun vrouwen, in de hoop dat zij daardoor blonde kinderen zouden baren. Het Verboden Boek heette oorspronkelijk ‘Mein Kämpe’ (mijn vechter) want Hitler zou een affaire gehad hebben met een Zweedse kinderboekenauteur, die hij 'de enige echte oorlogsheld' noemde.
 
Net wanneer de studie een succes werd en Samantha op een internationale persconferentie de naam van het knaapje van Hitler bekend zou maken, zei ze haar academische carrière vaarwel. Omdat ze mij te veel miste en geld ook niet écht gelukkig maakt.
 
Ik geloofde haar, zoals steeds.
 
“Je bent te naïef, dat is jouw probleem.”
 
Ze was het niet verleerd mijn gedachten binnen te sluipen en uit mijn stiltes conclusies te trekken.
 
“Je wordt belazerd waar je bijstaat en je weet wel door wie.”
 
Kortsluiting in mijn hoofd. Hebbeding. Die lange avonden alleen. Twee keer op weekend ‘met de mannen’ op twee weken tijd, dat is toch niet normaal? Zogezegd zijn krant gaan lezen op een terras maar toch nog verbaasd ’s avonds naar het journaal zitten kijken. Samantha zag hoe mijn onderlip ging trillen.
 
“Maar neen, stom kind. Het is allemaal de schuld van Freek Adriaens.”
 
In een reflex keek ik rond. Zou ik dit nog ongedaan kunnen maken? Zouden mijn lezers dit al gezien hebben?
 
“Fishel?” probeerde ik snel zijn bijnaam uit.
 
“Je moet hem bij naam noemen, ’t is genoeg geweest.”
 
Ik keek haar verbaasd aan. De lieve blonde jongen met de kobaltblauwe ogen, de donkere truien en beige broeken. Ik kon het niet geloven.
 
“Sinds die ruzie doet hij er alles aan om jou zo veel mogelijk om handen te geven.”
 
Nog voor ik hem goed had leren kennen - voor zover je Fishel ooit écht kent - hadden we een discussie gehad. Twee bloggers tegenover elkaar. Een uitdaging tot duel. We zouden elk over de ander iets schrijven. De rest van het wereldwijde web mocht een winnaar kiezen. Het is er nooit van gekomen. Ik kreeg het plots heel druk.
 
“Hij wil je de tijd niet geven om te bloggen. Hij heeft er zelf de tijd niet meer voor.”
 
Langzaamaan sijpelde het besef mijn slome hoofd binnen. De afgelopen elf maanden was me vanalles overkomen, telkens als ik net wilde bloggen.
 
Een dode hamster in onze zekeringenkast, twee dagen voor ik Fishels vriendin een nieuw knaagdiertje zag kopen.
 
Wekenlang geen internet omdat iemand uit Hebbedings naam dreigtelefoons naar de provider had gepleegd.
 
Fishel die een zwart-witte kater koopt, deze voorstelt aan onze kattin en ons verzekert dat hij ‘ontmand’ is en we ze dus heus even alleen kunnen laten.
 
Fishel die tijdens mijn enige week verlof vraagt of ik op zijn labradorpuppy wil passen, waar we daarna nooit meer iets van horen.
 
“Zoals ik al zei: ik wil het zwart-witte kitten.”
 
Samantha was onverstoorbaar.
 
 
 
Ik daarentegen word gestoord door een geluid uit de keuken. Het is middernacht en ik ben aan het bloggen. Voor het eerst in maanden.
 
Ik stop met typen, ren naar beneden en zie nog net een stukje beige broek de deur uitvluchten. Het gasvuur staat volledig open en op de tafel staat een kaars te wachten op het onvermijdelijke. Snel behoed ik Hebbedings keuken van een groot drama.
 
Ik ga op de grond zitten en de kat springt op mijn schoot. Ik voel haar nageslacht bewegen in haar buik. Ze miauwt.
 
“Stil maar”, fluister ik, “we geven ons niet gewonnen. Ik ga terug bloggen. Wat kan hij ons doen?”
 
Joni kruipt onder de kast, waar ze prompt bevalt van vier flinke zonen. Allemaal wit met zwarte vlekken.
 
Ik begrijp haar en besluit dit niet te publiceren, uit angst voor represailles.
 
FreekAdriaens.blogspot.com, je hebt gewonnen.
 

Tweet
persoonlijk | columns | 15 September 2010 | 17:26:34
 
Omdat mijn aandachtsspan die van een goudvis is.
Omdat ik stiekem hoop dat iemand het zal lezen.
Omdat een verhaal soms ook echt kort kan zijn.
Omdat elk vogeltje tweet zoals het gebekt is.
Omdat ik jullie op de hoogte wilde houden.
Omdat er bijzonder veel omdats zijn.
Omdat Stephen Fry het ook doet.
Omdat kort soms ook lekker is.
Omdat het 'many le hip' is.
Omdat het bestaat.
Omdat het zo is.
Omdat.
 
http://twitter.com/wolkenis  

 

Over Jeugdboeken
kinderen | columns | 23 Oktober 2009 | 16:15:50
Lieve lezers,
 
 
Ik heb lang getwijfeld of ik mijn ware aard zou onthullen.
Of ik mijn geheime naam zou prijsgeven.
Of jullie daar ook maar een klein rattenkontje om gaven.
 
Edoch.
 
Een kort bericht aan kleine en grote mensen.
 
Boekscout.nl belde me een paar maanden geleden met de vraag of ze een oud manuscript van me mochten publiceren.
Een verhaal van lang geleden. Een jeugdboek.
 
Lieve lezers, mocht het jullie kunnen boeien, presenteer ik jullie een bijzondere jonge deerne.
 
Fae.
 
 
De coverfoto is van de geweldige Bart Deygers (onthou die naam, daar hoort u nog van)
 
Je kunt het bestellen via elke boekhandel (isbn: 978-94-6089-057-4)
 
 
Zo. Dat is dan ook alweer gebeurd.
 
Ik laat gauw nog iets van me horen, beloofd.
 
 
 
 
 
Kirsten
Katrien

Over appels en slangen
persoonlijk | columns | 18 Juni 2009 | 19:42:42

 

 

"Je moet onmiddellijk komen!”
Als Samantha zelfs de tijd niet meer neemt om je vleierig toe te spreken, weet je dat het ernstig is. Ik hoorde haar onderlip trillen doorheen de woorden. Ik moest komen, er was iets gebeurd waar ze met niemand over kon praten behalve met mij. Ik moest haar bijstaan, ze had hulp nodig. En niet van om het even wie.
Ik zuchtte. Georges was nog geen dag weg of het was al van dattum. Ik wist niet zeker of ik het wel wilde weten, maar zoals steeds won mijn nieuwsgierigheid het van mijn gezond verstand.
“Sam, wees eerlijk. Heb je die harembroek dan toch gekocht?”
Ze barstte in tranen uit.
“Nee, maar ik ga het nu zeker doen. Niets vragen. Kom gewoon zo snel mogelijk naar hier. En zorg dat je niet gevolgd wordt. Niet tegen Hebbeding zeggen.”
Dan pas flitste door mijn hoofd dat ze Georges nog op andere manieren kon kwetsen dan door een broek te kopen die hij lelijk vond.

Ik spurtte mijn kamer uit en wachtte 21 minuten op de bus.

 

 
 
“Wat is er?”
Samantha zat huilend op de grond met de losgerukte klink van een kast in haar handen.
“Ik heb het stukgemaakt. En Georges mag dat niet weten.”
Op het aanrecht lag een koevoet, nog warm van haar handen. Houtsplinters leidden me naar het kastje boven de koelkast. Een zaag, een schroevendraaier, een handjevol haarspelden en zelfs een bunsenbrander lagen beschuldigend in de keuken verspreid. Ze hoefde niets te zeggen. Ik kende die kast. De enige kast in het huis met een slot.

Ze zou haar liefste vast nog gezegd hebben dat hij ze open mocht laten. Dat ze eraan zou kunnen weerstaan. Maar Georges kende haar beter dan zij zichzelf, draaide genadeloos het sleuteltje om en hing het aan zijn sleutelbos. Het sleuteltje bevond zich nu ergens in Barcelona. Als Georges onderweg niet verdwaald was toch.

Samantha durfde niet meer naar het kastje kijken. Beschaamd vertelde ze de grond dat het sterker was dan zijzelf. Dat een stem in haar hoofd haar gedwongen had. Dat ze de schatkist moest openen. Georges zou het niet merken.

Ik bewonderde Samantha’s volharding. Maar nu was ze net iets te vastberaden geweest. De koekjeskast was zwaar toegetakeld. En Georges zou het zeker merken.
 
Nog voor ik haar van de grond kon plukken, zwaaide de deur open. Wulfje en Vixen stormden binnen. De één gewapend met gezichtsmaskers en make up, de ander met wax en zelfbruiner. Wachtend op de bus had ik hen ingelicht over een noodgeval bij Samantha. Wij vrouwen leven in ons eigen wereldje. Over de Norlevo© in mijn handtas zweeg ik wijselijk.

Samantha was ontroerd door zo veel inzet van ons, maar tegen dit probleem stonden wij machteloos. Vixen schudde meewarig het hoofd. Het had ieder van ons kunnen overkomen. Ze troostte Samantha. Het had veel erger kunnen zijn. Godzijdank had ze de kast niet open gekregen.

“Wat zocht je?”
Tot mijn grote verbazing was ik degene die de onstelbare vraag durfde stellen.

“We hebben nog een XL-pak Snickers liggen”, gaf ze met schaamrood op de wangen toe.

Wulfje schrok hoorbaar en sloot Samantha in haar armen. Snickers staan bovenaan de lijst met verboden producten. 310 kilocalorieën per eenheid. Vixen stopte Samantha een Vitalineakoekje toe. Dat mocht nu wel.

Ze aanschouwde de puinhoop en nam mijn hand vast. Meer om zelf steun te zoeken dan mij bij te staan. Ze mompelde het onmompelbare.

“Dames. Het kan niet anders. We hebben een man nodig.”
Samantha sloeg een ijselijke gil.
“Geen man kan dit begrijpen! Ik word de grap van het jaar! Ik wil niet dat iemand dit weet. Ik zal in therapie gaan, maar geen man!”
“Liefje, iemand moet dit herstellen. Het is een man of jouw man.”
Samantha knikte en sleepte zich naar de slaapkamer. Even later hoorden we een klein motortje draaien.
“Wie bellen we?”
Vixen had de vraag nog niet gesteld of Wulfje wist het antwoord al.
 
 
Een kwartier later stond Loki voor de deur. Hij was net vijf dagen gestopt met roken en bevond zich nu dus ongeveer in de fase die een vrouw van haar zeventien tot haar zevenenzeventigste doormaakt. Een onstilbare drang naar de verboden vrucht.

Anderhalf uur speelden we met zijn gedachten zoals alleen drie vrouwen dat kunnen. We namen hem mee naar de toekomst. Twee jaar later op de rotste dag van zijn leven. Hij zat met vrienden op café, vond dat hij na twee jaar clean zijn een sigaret had verdiend en wilde er één bietsen van Hebbeding. Telkens zijn vingers bijna een rookstok te pakken hadden, trok Hebbeding het pakje weg. Tot Hebbeding het spelletje na twee uur moe was en naar het toilet ging, de sigaretten veilig weggestopt in de tas van zijn laptop. Of Loki die tas zou openen. Of hij – die gvd wel een sigaret verdiend had! – er aan zou kunnen weerstaan. Of dat nu zo zonde zou zijn die ene sigaret te stelen, aan te steken en er trek na trek van te genieten. De nicotine door zijn bloed te voelen stromen en nieuwe energie te halen uit de diepe ademhalingen. De rookkringels naar boven te zien glijden en te wensen dat hij erop kon meevaren. Om zich eindelijk weer compleet te voelen, zijn vingers opnieuw verlengd, de hand terug volgemaakt, volmaakt. Of dat nu belachelijk zou zijn. Of hij zich niet vreselijk zou voelen als Hebbeding op dat moment terug zou keren naar de tafel en zou bulderlachen. Foto’s zou nemen, een filmpje zou maken voor op youtube. Of dat dan niet belachelijk zou zijn.

 

 
Geen kick heeft Loki gegeven terwijl hij het kastje repareerde. We hoefden hem zelfs niet om te kopen – hoewel Wulfje al klaarlag – hij zou dit voor zich houden.
 
’s Avonds zitten we op café, met Hebbeding, Wombat, Vos en Nietzsche. Loki gluurt naar de sigaret in Hebbedings hand. Zijn wenkbrauwen gaan op en neer en hij grinnikt. We fluisteren hem toe dat we trots zijn op hem. Dat hij sterk is. En we hem bewonderen om zijn wilskracht. Dat hij geen sleutels nodig heeft, maar het puur op karakter speelt. Dat dat pure klasse is. Onze mannen begrijpen niets van zo veel lof. Loki laat het zich welgevallen. Samantha gooit stiekem wat extra suiker in haar thee.

Vladimir
persoonlijk | columns | 13 Mei 2009 | 14:09:38

Ze was speciaal met mij naar Brugge gereden ondanks de stekende pijn in haar onderrug na een slapeloze nacht met Georges. Tot mijn grote schaamte moet ik bekennen dat ik een panische angst heb voor autostrades. Zelfs passief gutst het angstzweet uit mijn oksels. De gedachte dat ik er ooit zelf op zal moeten rijden, veroorzaakt slapeloze nachten.

Samantha slalomt vrolijk meezingend met de radio over de stroomversnellingen heen. Lange tijd wordt er niet gesproken. Ik speel met de volumeknop en analyseer haar ademhaling. Ze zet te veel lucht op haar stem, vooral bij de hoge noten. Maar ik zeg niets, want ik zou haar Zweedse gehijg niet willen missen. Plots remt ze af.
“Ben je zenuwachtig?”
“Nu wel”, antwoord ik, omdat ze naar mij blijft staren in plaats van naar het wegdek. Ik voel zweetdruppels op mijn voorhoofd parelen. Maar zonder dat haar blik de mijne lost, verandert ze vlot van rijvak.

Net als ik in die vragende meren dreig te verdrinken, hebben haar ogen die van een knapperd in een lichte bestelwagen gevonden. Meer omdat ik jaloers ben dan wel om uit te dagen, maak ik stiekem een obsceen gebaar. Wanneer Samantha plankgas geeft, zet de chauffeur onversaagd de achtervolging in. Ze lacht. Ze weet dat ze onweerstaanbaar is. Ze weet niet dat ik haar daar af en toe een handje bij help.

“Ben je niet bang dat ze iets gaan vinden?”
“Er zal wel wat slijtage op zitten. Zo vaak naar de kinesiste gaan, kan onmogelijk gezond zijn voor je discussen.”
Samantha lacht in het Duits. Ik vind lächeln veel beter bij haar passen. Ik weet niet of ze me dom of grappig vind. Eer ik het durf vragen, parkeert ze haar auto. Schuin over drie witte strepen heen, maar zo heeft ze het van Nietzsche geleerd.
 
Er zijn weinig plaatsen waar ik me zo goed kan ontspannen als onder een scanner, zeker als je je kleren mag aanhouden. Leve isotopen. Ik denk aan Samantha die een boek leest over iemand die een boek leest en vraag me af hoe postmodern dit metaniveau is. En wat Mukarovsky daarover te zeggen zou hebben. Ik ben er gerust op. Opnieuw een paar ontstekingen, meer niet. Niets wat een handjevol pillen niet kan oplossen.
 
Na de scan komt de radiologe me vragen nog even na te blijven. Dat is nieuw. Normaalgezien wordt mij gevraagd een gebouw zo snel mogelijk te verlaten. Samantha blijkt verdwenen. Een dokter zoekt wanhopig naar zijn assistente. Ik heb een vermoeden, maar zeg niets. Na een kwartier zenuwachtig nagelbijten – nog steeds geen spoor van Samantha, maar de geluiden uit kamer 320 bevestigen mijn vermoeden – komt een schriel ventje mij halen. Vladimir B., neuroloog en psychiater, staat er op zijn naamkaartje. Ik weet niet over welk deel van zijn titel ik me het meeste zorgen moet maken. Mijn hart stokt stomweg in mijn slokdarm. In mijn hoofd probeer ik die zin tien keer te herhalen. Germanisten hebben zo hun eigen manier om zich tot kalmte te manen.

Ik krijg de tijd niet om mijn Zweedse keizerin te roepen, het ventje troont me naar binnen. Er liggen foto’s van skeletten op tafel. In zwart-wit. Ik begrijp dat ik dat ben. Ik staar naar de zwarte vlekken. Ik weet dat die niet goed zijn. Mijn moeder is dokter. Dat maakt het obligatoire sekspraatje op je twaalfde een stuk minder boeiend, maar je komt wel wat te weten. Zonder iets te zeggen wijst Vladimir naar een inktzwarte vlek op wat ik snel reconstrueer als mijn linkerheup. Zonder te ademen kijk ik hem recht in de ogen.

“Zeg het”, sis ik dreigend.

“Het is nog niet zeker, we hebben slechts een vermoeden.”
Ik herhaal mijn woorden terwijl ik mijn handpalmen hard tegen de tafel laat kletsen. Het doet pijn. Het kalmeert.

Vladimir kijkt mij gemoedelijk aan. Alsof ik zijn dochter ben. En hij mijn steun en toeverlaat. Alsof hij de enige op de wereldbol is die me dit nieuws kan brengen zonder dat de aardkern naar boven zal schieten, recht het ziekenhuis van Brugge binnen.

“Botkanker”, zegt hij, alsof het een troetelnaampje is.

In een reflex spring ik recht. Mijn stoel valt achter mij op de grond en ik grijp naar mijn linkerheup. Vooraan. Op de plek waar het bot wat uitsteekt en mijn sexy onderbuik accentueert. Op de plek waar in mijn modieuze jeansbroek een klein zakje is genaaid. Ik hoor twee metalen voorwerpen tegen elkaar tikken. Ik wil me omdraaien en weglopen. Kotsen tot er niets meer van me overblijft. Tot ik aan niemand nog moet uitleggen wat er aan de hand is. Tot ik…

Terwijl ik me omdraai naar de deur voel ik twee verrassend sterke handen mijn schouders grijpen. Ik begin te gillen. Vladimir tast naar mijn kruis. Ook dat nog. Ik heb het gevoel dat ik ga flauwvallen. Hij drukt me tegen de muur en opent het zakje van mijn jeansbroek. Parmantig haalt hij er twee stukken van twee euro uit. Even dringt het niet tot mij door. Toch kalmeer ik.

“Genezen”, lacht Vladimir.

De deur zwaait open. Samantha ziet er roze, bezweet en bijzonder gelukkig uit. Ze heeft haar t-shirt binnenstebuiten aan.

“Liefje, wat scheelt er nu weer? Heeft ze u pijn gedaan, mijnheer?”
Ik begin te huilen en te lachen tegelijk.

“Ik had kanker, maar hij heeft me genezen”, stamel ik.

Samantha trekt kurkdroog één wenkbrauw op.

“Mooi. Dat is dan in orde. Bedank die mijnheer, we gaan naar huis.”
Vladimir vraagt of ik toch nog even kan blijven. Er is ook nog wat met mijn rug. Het kan me niet schelen. Samantha zegt dat we haar in kamer 320 kunnen vinden en verdwijnt. Ik hoor niets meer. Ik staar naar Vladimir, die willens nillens deel geworden is van mijn nieuwe leven. Laat die autostrades maar komen, ik heb toch Vladimir. Ik heb een vechtlust waar de gemiddelde Afrikaanse leeuwin jaloers op zou zijn.

Splijtlijnen (4)
theater/toneel | columns | 08 Mei 2009 | 13:49:56
 

SCENE IV

 

(Valerie praat tegen het publiek. De anderen proberen onder haar rok te kijken.)

VALERIE:

Het is al meer dan tien jaar geleden. En toch blijft het mij volgen.

Ik was schoon. Echt heel schoon. Ik ging de schoonste van de wereld worden.

Al mijn spaargeld had ik in dat kleed gestopt.

Gekocht in de solden. En een beetje op de groei.

Maar mijn moeder had daar een zoomke ingelegd.

Of de zoom ingelegd, dat weet ik niet.

Ik ben niet goed met mijn handen, nooit geweest.

Met mijn voeten ook niet.

En op zo’n hakken.

De zaal zat vol.

Journalisten van over gans de wereld.

En ik was de favoriet.

“eenvoudige Vlaamse boerendochter dingt mee naar het kroontje”

Ik wist niet eens wat dat was, ‘dingen’.

Miss World.

Die trut uit Venuzuala had haar ererondje gelopen.

TIM:

Venezuela.

VALERIE:

Ze komt naar mij achter scène.

“but girl, everyone can see your knickers!”

Ze wees naar mijn kont.

’t Was waar. De lijnen van mijne Sloggi los door mijn kleed.

Ik moest op. Ik was in paniek.

En die trut uit Venuzuala maar lachen.

‘k Heb het uitgedaan.

Ik had ook al geen bh aan onder dat kleed, dus veel maakte het niet meer uit, dacht ik.

Toen is het gebeurd. Ik stond amper op de catwalk of het eendje in mijn bad viel stil.

DONNA:

Ik heb dat gezien op tv.

Ge hebt op uw kleed getrapt.

VALERIE:

Diene zoom was losgekomen.

DONNA:

Ge zijt een hit op youtube, nog altijd.

VALERIE:

En ’t was toen blijkbaar al mode van u te waxen, daarbeneden.

Ik wist dat niet.

(pijnlijke stilte)

Dat was zo… gênant! Er is geen ander woord voor.

Of toch: schaamtelijk misschien.

TIM:

Of pijnlijk.

DONNA:

Confronterend.

ABBI:

Of… nee, dat waren ze.

DONNA:

En ge voelt uw maag ineenkrimpen en ontploffen tegelijk en die twee bewegingen veroorzaken een zwart gat waarvan ge weet: hier geraak ik nooit meer uit.

VALERIE:

Ja, zoiets ongeveer.

En ik was ook een beetje misselijk.

ABBI:

Hebt gij ook iets meegemaakt? Is het daarom dat ge hier zijt?

DONNA:

Ik vond u toffer toen ge nog stil waart.

(Abbi legt zijn arm om haar heen. Zij laat het zich welgevallen.)

VALERIE:

Tim, pak mij eens vast.

Ik zal het niet aan uw vrouw zeggen.

(ze maken aanstalten om te omhelzen, tot Tim begint te praten)

TIM:

Ik denk dat ik zwanger ben.

Allez, we.

Ik voel het. Ik heb raak geschoten. Per ongeluk.

Ik kan echt héél slecht faken.

(Valerie lacht)

VALERIE:

Allez, proficiat.

TIM:

Ik weet het niet zeker, hé. En het kan nog veranderen. (hoopvol) Toch?

VALERIE:

Tuurlijk! Er kan nog vanalles misgaan de eerste maanden.

DONNA:

Ik wil er ook eentje. Ooit.

TIM:

Ge moogt het mijne hebben, als het ooit komt.

ABBI:

Wat is uw verhaal?

DONNA:

Er is geen verhaal.

Ik heb niets te zeggen.

Ik heb een moedervlek. Op mijn bil.

En ik ben ijdel genoeg om die te laten weghalen.

Elke morgen zeg ik het: ‘ge zijt ok’

Ge staat voor de spiegel, ge kijkt uzelf recht in de ogen en ge zegt: ‘ge zijt ok’.

En ge weet dat ge liegt. Ge ziet het u doen.

Want dat ding zit daar.

Die vuile olievlek in de sneeuw van uw vel.

Meer is er niet.

Vindt ge mij nu stom?

ABBI:

Nee.

TIM:

Een beetje.

DONNA:

En gij, Miss World?

VALERIE:

Dat was ik niet.

Ik leek daar gewoon keihard op.

Dat was een Hollandse. Maar iedereen leek dat te vergeten.

In het begin vond ik het nog wel grappig.

Ik werd “herkend” op straat.

Mensen wilden met mij op de foto. Ik mocht in de boekskes poseren.

Ik had het nochtans gezegd. Maar de echte wou niet meer buitenkomen.

Die is verdwenen. En ik was er nog.

Maar op den duur werd haar schaamte de mijne.

Haren bos schaamhaar naast mijne foto.

Iedereen lachte mij uit.

Ik ben beginnen eten.

Maar zelfs tien kilo en een ander kapsel later voelde ik ze nog altijd staren.

Op straat, op het werk, in de lift, op café.

Mijn vrienden wilden niet meer met mij uitgaan.

Ik wil opnieuw beginnen.

Het was maar voor te lachen.

Het heeft mij veel geld opgebracht.

Maar ik heb het duur betaald.

Ik wil een nieuw gezicht.

En tegelijk ben ik doodsbang dat ik dan niemand meer ben.

Niemand.

Pak mij eens vast.

(Tim omhelst haar.)


Splijtlijnen (3)
theater/toneel | columns | 03 Maart 2009 | 10:11:11
Scène III
VALERIE:
Gij wìlt een litteken?
De meeste mensen komen hier om dat te laten weghalen.
Gij zijt nen raren.
En zo groot.
Dat is toch niet schoon?
ABBI:
De mensen gaan denken dat ik iets heb meegemaakt.
VALERIE:
De mensen gaan denken dat ge zot zijt.
TIM:
Laat diene jongen gerust, hij heeft niets misdaan.
DONNA:
En gij?
(Tim zwijgt)
ABBI:
De mensen gaan mij vragen stellen.
Ik moet nog een goed verhaal verzinnen.
Maar dat komt wel.
Ik test een paar versies en de beste, die hou ik bij.
Of beter nog: als ze iets vragen, dan zwijg ik gewoon
en staar zo wat getraumatiseerd voor mij uit.
Ik kan niet huilen op bevel.
Ik zou dat graag kunnen.
Dat zou het helemaal afmaken.
De vrouwen gaan denken dat ik pijn heb gehad.
Ze gaan denken dat ze mijn litteken kunnen verzorgen.
Tot dat het weggaat.
In hun hoofd, maar ook in het mijne.
Mensen gaan mijn naam onthouden.
Mensen gaan mij willen kennen.
Als ik ergens binnenstap, begint het gefluister.
Dat is diene gast met zijn litteken.
En ze verzinnen de wildste verhalen.
Ik moet niet meer praten.
Ik moet niet meer doen alsof ik interessant ben.
Ik ben het.
Ik moet gewoon zwijgen en zo wat getraumatiseerd voor mij uitstaren.
Misschien ook wat wenen, maar dat moet ik nog leren.
Kunt ge daar les voor volgen?
Dat lijkt mij een schoon leven.
VALERIE:
Maar ge ziet er niet uit!
Ge laat uzelf vrijwillig verminken.
TIM:
Wij allemaal.
Zijt gij hier voor iets anders, dan?
ABBI:
Jamaar, hier doen ze dat onder verdoving.
VALERIE:
Ik ben hier nergens voor!
Ik ben hier voor ne vriend.
Hij heeft mij gevraagd informatie in te winnen.
Zo spreekt die.
‘Valerie, mijn goede vriendin,
wil jij voor mij wat informatie inwinnen?’
DONNA:
Hoe heet hij?
VALERIE:
Steven.
(Donna gooit een open magazine voor Valeries voeten. Abbi raapt het op.
Donna zelf prepareert een lijntje coke op het tafeltje.)
DONNA:
Een ex van mij heet Steven.
Maar ’t zal hem niet zijn.
Hij zit in den bak.
Ik moet hem dringend nog eens opzoeken.
Hij was ok, tot hij mij leerde kennen.
Ik waarschuw u: als ge op mij valt, kunt ge u serieus zeer doen.
(Tim staart haar met open mond aan.)
DONNA:
Relax, dat is niet waar, ze.
Hij geeft les.
Aan blinde kleuters.
Kleurboeken in braille.
(Ze schaterlacht. Tim keert zich naar Valerie.)
TIM:
Hebt gij dan nooit iemand anders willen zijn?
Breken met uw oud leven en gewoon opnieuw beginnen?
Nee, dat zal wel niet.
Gij hebt alles wat ge wilt.
Een huis met nen tuin. Met een boomke in.
Het moet nog wat groeien, maar ’t is veelbelovend.
Nog een jaarke, dan staan de appels er.
Nen hond. Joske. Zo nen Ierse Wolf.
Bestaat dat?
Twee kinderen. Ne vent.
Ne vent met een schoon job en ne Volvo. Van ’t werk, maar toch.
Is er ne vent?
VALERIE:
D’er is zelfs geen boomke.
TIM:
Bij mij ook niet.
Behalve diene kerstboom die ik nog moet wegdoen.
Maar ik krijg het niet over mijn hart.
We hebben hem versierd, ne piek op gezet.
En dan, gewoon omdat het niet langer december was,
Uitgekleed. Gestript. Tot er alleen dat lelijk karkas overbleef.
Afgeleefd. Uitgeleefd. Ge-leefd.
Ik denk dat ik hem opnieuw ga versieren.
En gewoon terugzetten.
Eens zien wat voor effect dat geeft.
DONNA:
We?
TIM:
Wat?
VALERIE:
Ja, ik heb het ook gehoord, ge hebt ‘we’ gezegd.
Wie zijn ‘we’?
ABBI:
Dat is de vraag, natuurlijk.
En wat doen we hier.
Afin, niet ‘hier’, maar…
DONNA:
Zoudt gij een draak doden voor mij?
Ge twijfelt. Dat moogt ge nooit doen.
Dat heeft Sint Joris ook niet gedaan.
(tegen Tim) Zoudt gij een draak doden voor uw vrouw?
TIM:
Dat hangt er van af.
VALERIE:
(kattig) Hoeveel koppen hij heeft?
(Donna glimlacht. Valerie kijkt teleurgesteld naar beneden. Ook Tim heeft door dat hij zich verraden heeft.)
TIM:
Het is niet wat ge denkt!
Ik ben ne kerstboom!
Ik bedoel… ik word geleefd.
Ze zeggen dat het de schoonsten dag van uw leven is.
Ze hebben gelijk.
In elk geval de schoonsten dag van de rest van uw leven.
Ik ben genen avonturier, nooit geweest, maar soms…
Ik heb tien tenen. Er is niets mis met mij. Behalve…
Nen tattoo.
Ik heb nen tattoo laten zetten en ik moet hem laten weghalen.
Van haar.
Ik wil niet.
Ik vind het nen héél schonen tattoo.
Zo ne salamander.
Klein, zwart, hij kruipt naar boven op mijn ribben.
Hij houdt zich vast aan mij om niet te vallen.
Niemand ging dat ooit zien.
Behalve zij.
Ik wou haar verrassen.
Ik mag niets.
Niemand vertelt u dat op uwen trouwdag uw ballen eraf geknipt worden.
En weggestopt in een kluis waar alleen zij de code van heeft.
Ze haalt ze er alleen uit om ze leeg te schudden.
Kinderen. Ik wil helemaal geen kinderen!
Zij wist dat! Zij wist dat maar al te goed!
Maar ik heb de kleine letterkes niet gelezen, blijkbaar.
(Hij buigt zich over het tafeltje en snuift de restjes coke op.)
Voila! Dan heb ik dat toch gehad.
(Tim lacht en valt bewusteloos op de grond.)
ABBI:
(tegen Valerie) Gij staat in dat boekske.
Dat zijt gij toch?
(Black-out)

Splijtlijnen (2)
theater | film | 26 Januari 2009 | 16:00:25
Scène II

 

(Tim en een aangeklede Donna zitten nog op dezelfde plaats, Abbi is weg, Valerie luistervinkt aan een zijdeur.)

 

VALERIE:

(tegen Tim) Het gaat over een litteken. Een heel groot.

Ik denk dat het weg moet. Er moet in elk geval aan gewerkt worden.

TIM:

Zeker mislukte zelfmoord. Mensen praten daar niet graag over.

Ze denken dan dat ze u meesleuren in hun verdriet.

Dat ze u niet meer recht in de ogen gaan kunnen kijken omdat gij voor hen de ravijn zijt.

De onvulbare put waar iedereen schrik voor heeft.

Dat ze er niet in vallen. Het zwarte gat. Dat zijt ge dan.

Want niemand kan u troosten. En iedereen weet dat. Gij ook. Gij ook.

DONNA:

Kunt ge iets zien? Kijk eens door het sleutelgat.

VALERIE:

Is dat niet onbeleefd?

(Donna duwt Valerie weg en gluurt zelf door het sleutelgat)

 

TIM:

Dat hij niets zegt, dat is nog veel onbeleefder. Ons met dat gevoel van onzekerheid laten zitten.

Is hij een moordenaar? Een psychopaat?

Wie weet, van waar komt dat litteken? Iemand die teruggevochten heeft? Misschien was dat ene meisje van twaalf erin geslaagd zijn kettingzaag af te pakken en met haar laatste krachten nog just zijn arm open te snijden voordat hij haar…

Dat is te erg voor woorden.

En ons dat niet vertellen, dat is pas onbeleefd.

Ik vind dat we moeten kijken.

VALERIE:

Ge moogt uw argumenten voor u houden, ze is al bezig.

TIM:

En?

(Donna zegt niets, maar gaat stomverbaasd terug op haar stoel zitten. Tim en Valerie slikken.)

 

VALERIE:

Is het zo erg?

TIM:

Dat zal hem leren. Goed gedaan van dat meiske.

VALERIE:

Wat hebt ge gezien?

(Donna haalt wat pillen uit haar handtas en spoelt ze door met een slok uit een zakflesje gin.)

 

VALERIE:

Ik kan daar ook niet goed tegen.

Zelfs niet in films, als ik zeker weet dat het getrukeerd is.

Ik kijk niet graag naar ziekenhuisseries. Zelfs niet naar het nieuws.

Na een reclamespotje van Damiaanactie moet ik altijd efkes bekomen.

Ge zoudt dat nu niet zeggen, maar er is een periode geweest in mijn leven waarin mijn lichaam mijn kostbaarste bezit was.

Nu zijn dat mijn vrienden.

Oké, mijn kat.

Ik deed alles voor mijn lijf. Mijn hele leven stond in functie van.

Ik was daar één mee. Ik hoorde mijn haar gillen als het geknipt werd.

Ik voelde mijn teennagels verwijtend branden als het tijd was voor een pedicure.

Dat is allemaal voorbij nu. Helemaal voorbij.

Maar ik ben daar nog altijd gevoelig aan.

Als ik iemand met een uitslag zie, voel ik het direct kriebelen op mijn vel.

Alsof het mijn vel is dat verminkt is.

Mijn psycholoog heeft gezegd dat dat “projectie” heet.

Maar het gaat dieper dan dat.

Vandaar dat het ook zo moeilijk is voor mij om hier te zijn.

Ik wil weglopen. Maar ik kan niet meer.

Ik heb al genoeg gelopen.

TIM:

De Klootzak!!!

VALERIE:

Wat is dat met u plots?

(Abbi komt terug binnen in de wachtkamer. Tim kijkt hem woedend aan, maar doet niets.)

 

ABBI:

Hij… euh… de dokter gaat een paar telefoontjes doen.

Om te kijken of het kan.

Hij heeft veel werk aan mij. Ik heb veel te verbergen.

Ik hoop dat jullie het niet erg vinden dat ik nog efkes blijf?

VALERIE:

Nee, ze.

(Tim haalt zijn schouders op. Donna stapt op Abbi af. Ze zonderen zich wat af en doen flirterig tegen elkaar.)

 

TIM:

Kunt ge dat nu geloven?

VALERIE:

Nee.

Ik weet niet wat ze gezien heeft, maar het heeft indruk gemaakt.

TIM:

Ze loopt in haar ongeluk met diene gast. Dat ziet ge toch?

VALERIE:

Ik vind hem niet mis.

TIM:

Het is ne moordenaar!

VALERIE:

Dat is niet bewezen.

(Tim ziet Donna en Abbi kussen. Zij knoopt zijn hemd open.)

 

TIM:

Voila, het is zo ver.

De wereld is zotgedraaid.

En tot nu toe ben ik daarin meegegaan, maar nu is het echt genoeg geweest.

Ik doe niet meer mee.

(Donna laat Abbi abrupt los en draait zijn ontblote bovenlichaam naar het publiek, Tim en Valerie. Op zijn borst is met zwarte stift een onregelmatige lijn getekend die diagonaal van zijn schouder tot heup loopt. Iedereen gaapt hem met open mond aan.)

 

ABBI:

Het… het is maar een ontwerp. Ik weet niet zeker of… ’t kan ook op mijn gezicht.

Wat denkt ge?

Black-out.

 


Splijtlijnen (1)
theater | columns | 09 Januari 2009 | 13:45:57

Vier mensen in een wachtkamer.

Valerie – Tim – Abbi - Donna

 

 

Scène I

 

VALERIE:            

Het is alsof de wereld plots stilvalt.

Zoals zo’n badeendje dat volautomatisch trappelt.

Allez, niet vol-automatisch, dat denken de kindjes. Eerder half-vol.

Want ge moet aan zo’n dingske draaien. Een tandwieltje.

En dat lukt. Dat eendje zwemt dan.

Maar dan plots niet meer. Dan valt het stil.

En zoals een klein kind, begint ge domweg te wenen.

Gelijk een achterlijke kleuter zit ge te wachten

tot dat er iemand dat eendje terug opwindt.

Uw mama of zo.

Maar die komt niet. Die komt allang niet meer.

En tegen dat ge doorhebt dat uw mama nooit meer zal komen

-          omdat ge tenslotte toch al bijna veertig zijt en uw mama in een home zit –

is uw badwater koud en uw eendje vastgeroest.

Ge krijgt het niet meer in gang. Wat ge ook probeert, ge krijgt het niet meer in gang.

Ge besluit toch te blijven zitten. En te staren. Tot er iets beweegt.

Maar dat gebeurt niet.

En ge wordt wakker in een ziekenhuis.

Ge hebt een longontsteking en uw mama is dood.

TIM:                                     

De meeste kleuters zijn helemaal niet zo achterlijk. De meeste. Er zijn uitzonderingen.

Ge staat daar niet bij stil. Wat zo’n kind allemaal moet leren op zo’n korte tijd.

Dat zouden wij niet meer kunnen. Dat komt door onze hersenen. Onze kop zit vol.

De hersenen van zo’n kind dat is precies een droge spons. Dat absorbeert maar en absorbeert maar. Dat zuigt alles op.

ABBI:                   

Waaraan is mijn moeder dan gestorven?

VALERIE:            

Kweetnie.

Aan de emoties.

ABBI:                   

Ah zo.

VALERIE:            

Ja. Dat kan toch?

TIM:     

Dat kan.

VALERIE:            

Verdomme.

ABBI:                   

Merci.

VALERIE:            

Waarvoor?

ABBI:                   

Voor het verhaal.

Ik kan eigenlijk niet goed tegen stiltes.

Dat is enorm vervelend als ge zelf niets te vertellen hebt. Daarom is het altijd wel fijn als iemand anders iets vertelt. Iemand die wel iets te zeggen heeft.

VALERIE:            

Ik zei ook maar wat.

(defensief) Ge moet nu niet denken dat ge mij kent. Dat kan niet. Ge ziet mij nu voor de allereerste keer. Dat van dat eendje, ik heb dat ergens gelezen. Ik vond dat wel schoon.

TIM:                     

Dat is heel schoon.

ABBI:                   

(tegen Donna) Zegt gij nu eens iets.

Donna zwijgt.

 

TIM:                                     

Ik ben vier tenen kwijt. Weg. En alle vier aan één voet. Mijn grote teen, mijn kleine teen, mijn…

Afin, de vier buitenste eigenlijk. Die middenste staat er nog. Als een protserige tenen-fuck you.

Iedereen lacht mij uit. En ik moet met een stok lopen, want ge moet dat eens proberen, uw

evenwicht bewaren, zo bijna zonder tenen.

VALERIE:            

Is het… is het daarom dat ge hier zijt?

Tim knikt. Stilte.

 

VALERIE:            

Nee, ik ga het niet zeggen. Ik wil er niet over praten. Ik wou het eigenlijk van u ook niet weten.

Ik vroeg het uit beleefdheid, meer niet. Omdat ge er zelf over begon.

ABBI:                   

Dat geeft niet.

Ik ga het ook niet zeggen. En niet omdat er niets over valt te zeggen. Er valt véél over te zeggen, maar dat is nu net dat ene dat ik te zeggen heb, maar niet vertel.

VALERIE:            

Dat moet niet gemakkelijk zijn voor u.

ABBI:                   

Dat is waar. Maar ik kan dat aan.

Donna steekt een sigaret op. Iedereen kijkt haar verbaasd aan.

 

DONNA:             

Wat? Er is toch een dokter in de buurt? De beste plaats om te roken is hier.

TIM:                     

Ze heeft gelijk.

Ik kan niet roken. Ik heb het geprobeerd, maandenlang. Ik dacht: de vrouwen vallen daarop. Maar ik moest hoesten. En kotsen. ’s Avonds, dat ging, maar die eerste sigaret waar iedereen altijd zo lyrisch over doet, die die ge samen met een koffie moet pakken, nog voor uw ontbijt; dat ging niet. Ik was daar zo slecht van. Geen karakter, zegt mijn moeder. Slecht gekweekt, zeg ik dan. Het is lang geleden dat ik haar nog gezien heb.

VALERIE:            

Ik vind dat gij schoon klapt.

TIM:                     

Tim.

VALERIE:            

Ah zo.

ABBI:                   

Abbi.

VALERIE:            

Schoon.

DONNA:             

Kevin.

De anderen schrikken op, Donna doet alsof er niets aan de hand is.

 

TIM:                     

(tegen Valerie) En gij?

ABBI:                   

Dat is wel een vreemde naam voor een vrouw, Kevin.

Donna kijkt hem strak aan.

 

ABBI:                   

O pardon. Ik had het echt niet door. Het is echt wel schoon gedaan.

Donna barst in lachen uit.

 

ABBI:                                   

(tegen Valerie) Ik vind dat maar een rare. Ze zegt ook niets. Ik kan daar niet goed tegen.

Donna staat op. Terwijl ze praat, kleedt ze zich uit.

 

DONNA:             

Het is een laagje. Ge kunt het eraf krabben, maar wat eronder zit, wil niemand zien.

Wat eronder zit, is te echt, te confronterend.

Want ge kunt het niet veranderen. Of toch bijna niet.

De mens in zijn puurste vorm. ‘In zijne puren’ zeggen ze bij ons.

Ge kunt het wel vermommen. Verstoppen. Verbergen.

Een nieuw laagje op leggen. Omdat ge denkt dat dan alles gaat veranderen.

Alsof dat nieuwe laagje zal doordringen tot de kern van uw bestaan.

Als dat al bestaat.

Een versleten kast opnieuw verven. En dan denken dat het een nieuwe is.

Het maakt niets uit. De scharnieren kraken en de vorm staat u niet aan.

Het is wat het is.

Ge doet het uit beleefdheid. Uit bescheidenheid.

Uit respect voor uw ouders die op bezoek komen en uw kast gaan zien.

Ge hebt die van hen gekregen.

Een nieuw laagje, een nieuw begin.

Maar eerst moet dat oude eraf. En dat is verdomd moeilijk.

Zonder haar kleren terug aan te doen, gaat ze zitten. Ze begint een joint te rollen.

 

TIM:                     

(tegen Abbi) Ik heb er een beetje schrik van.

Black-out.

 

 


Home Ontwikkeld door punt.nl gehost door mijndomein.nl| sinds: 2004-08-25